Opdracht: les 7 basiscursus schilderen

Opdracht 1:

  • maak een kleurencirkel met de primaire kleuren en secundaire kleuren in het juiste verloop

Lesdoel:

  • Begrijp hoe de kleurencirkel werkt en hoe secundaire uit primaire ontstaan.
  • door alle lijnen te verbinden snap je welke complementair zijn en wat koud en warm is
  • bewaar het goed, je zal er later nog veel naar kijken.

kleurencirkel    kleurenleer

Hoe begin je:

pak de 3 primaire kleuren

  • kobalt (dit is niet een officiele basiskleur maar omdat we deze veel gebruiken wil ik jullie niet op kosten jagen en werken we nu met deze kleuren, dat geldt ook voor geel)
  • rood
  • geel
  • neem een aantal velletjes papier
  • minstens 6 penselen een middeldikke maat
  • afscheurpalet
  • vuilniszak, lappen.
  • doe de verf 1cm op een bakje, niet verdunnen.

Teken de cirkels zoals in het voorbeeld. Verbind de lijnen. De 3hoek voor de 3 primaire en de pijlen voor de complementaire. blauw-oranje, paars-geel, rood-groen.

  • Heb je een goede getekend dan kan je ze afdrukken zodat je wat cirkels op voorraad hebt mocht je fouten maken.
  • Een ezelsbruggetje om te onthouden: complemetaire zijn de kleuren van de feestdagen; oranje-blauw koningsdag, paars-geel pasen, rood-groen kerst.

Zoals je ziet zijn de tussenliggende kleuren ook complementair bv. oranje-rood met blauw-groen. Soms is het niet helemaal duidelijk en kan je erover twisten, niet iedereen ervaart een kleur hetzelfde.

  • Zoals bv. oranje bruin met turquoise, houd de regel aan als jij vind dat het warm/koud is en zo komt het ook over in je werk dan is het zo.
  • Je moet er niet te moeilijk over doen. Je kan er nog veel aan doen om toch iets naar voren te laten komen.
  • En als je vindt dat het eigenlijk complementair is oranje bruin met turquoise omdat je het ziet als oranje-blauw dan is het ook zo.

Maar de echte hard complementairen blijven complementair werken ook als het zachte kleuren zijn, zoals bv aubergine met zachtgeel.

Ook de zachte warm/koud contrasten blijven warm/koud werken zoals rose met lichtblauw.

Je hebt dus sterke contrasten en zachte contrasten. Maar daarover verder in les 8.

  • vul de grote bollen met 3 schone penselen met de 3 primaire
  • maak 3 mengsels op je afscheurpalet voordat je ze op je papier doet van alle secundaire kleuren.

Opdracht 2:

  • meng alle grijzen, bruinen en huidskleuren, pastellen zoals oudroze en mint etc.
  • meng alle zwarten

Hoe begin je:

Pak nu ook pruisisch blauw, wit en burnt omber. Ga door met mengen.

Let op dat als je de zwarten gaat mengen je absoluut geen wit aan je penseel hebt.

Maak eerst een aantal mengsels voordat je ze op papier doet.

Lesdoel:

  • leer de kleuren kennen en waar ze vandaan komen.
  • Leer alle kleuren mengen.
  • Begrijp waarom zwart uit een potje
  • 1) niet nodig is,
  • 2) je niet veel kleurtonen kan maken maar je beperkt wordt door je potje, terwijl schaduwen in alle kleuren gebruikt kunnen worden
  • 3) je zo geen eigenheid in je zwarten krijgt, ook als je dat zwart mengt met bv rood
  • 4) je zwarten doods zijn zonder diepte,
  • 5) iedereen die zwart uit een potje gebruikt dezelfde zwarten maakt,
  • 6) het staat amateuristisch en ook dat is echt niet nodig!